Inkomsten (excl. overheidsbijdragen)

Deze kernindicator brengt de inkomsten van de cultuursector in Nederland in beeld. Dat deze cijfers dalen in 2005-2013, is niet verrassend.

Opgeteld laten dertien verschillende inkomstenbronnen in de cultuursector tot 2009 een toename zien, waarna het totaalbedrag vervolgens krimpt. In 2013 bedragen de eigen inkomsten (na inflatiecorrectie) 7% minder dan het beginbedrag in 2005. De sterkste daling vindt plaats bij het totale aankoopbedrag via de kunstkoopregeling. Het totaalbedrag dat men aan kunstwerken besteedt via de financieel gunstige kunstkoopregeling, is in 2005-2013 (na inflatiecorrectie) gehalveerd.

Ook de omzet van de muziekmarkt is in 2013 veel lager dan in 2005. Hoewel zowel de fysieke als digitale verkoop van muziekalbums is meegenomen, geeft de cultuurindex (nog) geen inzicht in nieuwe online bronnen van inkomsten uit muziek. Spotify en Apple Music werven bijvoorbeeld inkomsten uit abonnees van hun streaming diensten. Vermoedelijk ontwikkelt de omzet van de muziekmarkt zich positiever dan deze indicator laat zien.

Een sterke daling zien we verder bij giften aan cultuur door fondsen, bedrijven en kansspelen. Na een periode van groei tot een recordbedrag in 2009, is er een daling te zien tot slechts twee derde van het bedrag in 2005. Zeker de verminderde sponsoring en donaties van bedrijven aan de culturele sector worden in verband gebracht met de economische crisis.

Toch zijn er naast deze sterk teruglopende inkomsten ook positieve ontwikkelingen te zien. Vooral de toename in exportwaarde van Nederlandse muziek en kunstvoorwerpen valt op. Dance muziek van Nederlandse dj’s is internationaal steeds populairder, waardoor met optredens in het buitenland meer geld wordt verdiend. Ook bioscopen werven in het algemeen meer inkomsten sinds 2005. Vooral moderne en vernieuwde bioscopen verdienen meer aan entreegelden. Ook grote musea zien de inkomsten stijgen.

*Alle cijferreeksen onder de pijler geldstromen gecorrigeerd zijn voor inflatie. Groei in de index is dus reële groei, en niet het gevolg van geldontwaarding.