Beoefening

De kernindicator beoefening omvat zes indicatoren over (amateur)kunstbeoefening. Een dalende trend brengt veranderingen in kunstbeoefening in beeld.

Amateurkunstbeoefening laat sinds 2007* een gestage krimp zien. In 2013 zijn de cijfers gemiddeld 22% lager dan in 2005.

Een aanzienlijke daling is ten eerste te zien in de tijdsbesteding aan amateurkunstbeoefening. Een steeds kleiner deel van de Nederlanders besteedt tijd aan bijvoorbeeld toneel, musical of ballet. Ook aan schilderen en tekenen, zingen en het bespelen van een muziekinstrument besteden relatief minder Nederlanders tijd. Daarnaast daalt het aantal leerlingen en cursisten bij kunstencentra snel, deels omdat er ook steeds minder kunstcentra zijn. Muziek-, zang- en toneelverenigingen hebben nog wel meer leden dan in 2005.

Kunstbeoefening en talentontwikkeling vinden ook plaats via particuliere lessen. Vermoedelijk worden bovendien online cursussen of YouTube tutorials over bijvoorbeeld gitaarspelen steeds populairder. Maar wegens gebrek aan relevante en betrouwbare cijfers, kunnen we deze vormen van kunstbeoefening (vooralsnog) niet meenemen in de Cultuurindex.

* Voor vier van de zes indicatoren zijn geen gegevens bekend voor 2005. Voor deze indicatoren is niet 2005, maar 2007 het basisjaar voor de indexering.