Onderzoek: Onzekerheid domineert arbeidsmarkt cultuursector

onzekerheid domineert arbeidsmarkt cultuursector
5 februari 2016

De arbeidsmarkt in de culturele sector wordt gekenmerkt door onzekerheid. De Sociaal-Economische Raad (SER) en de Raad voor Cultuur hebben gezamenlijk een verkenning naar dit onderwerp uitgevoerd. Aanleiding voor deze verkenning waren de overheidsbezuinigingen en de economische crisis. De SER en Raad voor Cultuur baseren zich op beschikbare onderzoeksgegevens en literatuur, en rondetafelgesprekken met personen en organisaties uit de cultuursector. Op basis daarvan constateren de onderzoekers onder meer een verminderde werkgelegenheid en een opmars van zelfstandigen.

Verminderde werkgelegenheid

De werkgelegenheid in de culturele sector neemt af. In de  deelsectoren (Kunst en cultureel erfgoed, Media en entertainment, Creatieve zakelijke dienstverlening) zijn er in totaal 19.430 banen verdwenen - 12 procent - tussen 2010 en 2013 (Cijfers van CBS, zie SER en Raad voor Cultuur, 2016)*. In de periode 2009-2013 is het aantal afgestudeerden van hbo-kunstonderwijs, dat de arbeidsmarkt instroomt, echter niet gedaald, zo blijkt uit cijfers in de cultuurindex. In 2013 studeerden 4.359 mensen af van hbo-kunstonderwijs, ten opzichte van 4.206 in 2009; de instroom op de arbeidsmarkt is relatief stabiel. Daardoor blijft er sprake van krapte op de arbeidsmarkt. 

aantal banen in cultuursector

De cijfers bovenin geven het indexcijfer van het totaalaantal banen aan, met 2010 als basisjaar.
Bron: Cultuur in Beeld 2015. Het aantal banen omvat ook deeltijdbanen en tijdelijke banen, maar is exclusief zzp’ers. 

Sociaal-economische context

De SER en Raad voor Cultuur merken op dat de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt verband houden met onder meer de economische crisis; culturele instellingen hebben te maken met verminderde consumentenbestedingen, minder inkomsten uit sponsor- en fondsenwerving, en bezuinigingen op overheidssubsidies (SER en Raad voor Cultuur, 2016; Lahaut en Van Aart, 2015). De cultuurindex laat zien dat er in de afgelopen jaren ook veel instellingen en ondernemingen zijn verdwenen, wat verminderde werkgelegenheid tot gevolg heeft.

Vaste contracten worden zeldzaam

Naast de daling in werkgelegenheid, is er ook sprake van een flexibilisering van de arbeidsmarkt, onder andere door de opkomst van tijdelijke contracten. Een meer projectmatige aanpak van culturele instellingen maakt dat zij voor specifieke projecten en evenementen de benodigde krachten tijdelijk aantrekken (SER en Raad voor Cultuur, 2016). Tijdelijke contracten komen in de (gesubsidieerde) cultuursector ook vaker voor dan in andere sectoren; waar in 2013 in de gehele economie 25 procent van de werknemers een tijdelijk contract had, is dit in de cultuursector 37 procent. De SER en Raad voor Cultuur signaleren in de rondetafelgesprekken dat cultuurinstellingen terughoudend zijn om mensen in vaste (loon)dienst aan te nemen, mede vanwege de Wet Werk en Zekerheid (wwz). De wwz heeft als doel werknemers met een tijdelijk contract sneller te laten doorstromen naar een vaste baan (door bijvoorbeeld de maximale duur van opeenvolgende tijdelijke contracten bij één werkgever te verkorten van 3 naar 2 jaar, red.). Theaterinstellingen schrikken echter juist door deze wwz ervoor terug om mensen een nieuw contract aan te bieden, zo blijkt uit rondetafelgesprekken. De organisaties weten namelijk niet wat zij over een half jaar aan werk hebben (SER en Raad voor Cultuur, 2016).

Zelfstandigen hebben onzekere positie

Het aantal ZZP’ers in de cultuursector is net als in andere sectoren sterk toegenomen. Veel mensen hebben uit noodzaak - bijvoorbeeld na het verliezen van een baan (red.) - een zelfstandige onderneming gestart, van waaruit zij hun beroep kunnen uitoefenen. In de cultuursector steeg zo het aantal zelfstandigen van bijna 93 duizend naar bijna 106 duizend in 2010-2013 (Cijfers van CBS, zie SER & Raad voor Cultuur, 2016), terwijl in diezelfde periode het aantal banen juist daalde. De stijging van 14 procent is (iets) groter dan de gemiddelde stijging in de hele Nederlandse economie van 11 procent (zie CBS Statline: ‘Zelfstandigen zonder personeel; persoonskenmerken 1996-2014’).

De stijging is verontrustend volgens SER en de Raad voor Cultuur, gezien de onzekere situatie waarin veel zelfstandigen verkeren. Hun inkomens- en onderhandelingspositie is verzwakt, door de grote concurrentie. Sommigen werken zelfs gratis, om in elk geval het eigen beroep uit te kunnen oefenen. Ook kunnen zij zich een arbeidsongeschiktheidsverzekering vaak niet veroorloven, en kunnen ze evenmin geld opzij leggen voor hun pensioen (SER en Raad voor Cultuur, 2016). Wel blijkt dat ZZP’ers uit samenwerkingsverbanden voordelen kunnen halen; het hebben van één of meerdere partners of een agent vergroot de zichtbaarheid en voorziet in zakelijke ondersteuning (zie Nieuwenhuis & Van Nunen, 2015 in Boekman 105). 

aantal zelfstandigen cultuursector

De cijfers bovenin geven het indexcijfer van het totaalaantal zzp’ers aan, met 2010 als basisjaar.
Bron: Cultuur in Beeld 2015

Stagiairs en vrijwilligers onmisbaar

In verschillende cultuurvelden wordt steeds vaker met vrijwilligers gewerkt. Het aantal vrijwilligers bij musea is spectaculair toegenomen, en ook het vrijwilligerswerk in de podiumkunsten neem in fte’s toe. In bibliotheken werken ook veel vrijwilligers (SER en Raad voor Cultuur, 2016). Onder vrijwilligers is de cultuursector een aantrekkelijk werkveld. Voor veel culturele instellingen zijn vrijwilligers onmisbaar (geworden); dankzij hun bijdragen kunnen zijn hun deuren open houden en projecten en evenementen organiseren (SER en Raad voor Cultuur 2016). Bovendien werken veel festivals met vrijwilligers; nu de festivals in aantallen toenemen, zijn er logischerwijs ook meer vrijwilligers actief (zie Hodes en Jenniskens 2015 in Boekman 105). Er blijft echter onduidelijk over of vrijwilligers betaalde arbeid verdringen.

In de deelsectoren van de creatieve industrie zijn ook steeds meer stagiairs werkzaam. In ieder geval werken er in 2014 ruim 102 duizend stagiairs tegen een vergoeding, terwijl dit er in 2009 nog 84 duizend waren; een stijging van 21 procent (SER en Raad voor Cultuur, 2016). Over onbetaalde stages zijn geen cijfers bekend. Daarnaast  blijkt uit de rondetafelgesprekken dat ook afgestudeerden met stagecontracten in het culturele veld aan de slag gaan (SER en Raad voor Cultuur, 2016). Hoeveel is, helaas, onbekend. Maar ook maar ook andere bronnen onderschrijven dit probleem binnen en buiten de cultuursector (zie bijvoorbeeld Steenhuisen & Van de Ven, 2015; Schipper, 2015).

stages cultuursector

De cijfers bovenin geven het indexcijfer van het totaalaantal betaalde stagiaires aan, met 2009 als basisjaar.
Bron: Verkenning Arbeidsmarkt Cultuursector (SER en Raad voor Cultuur 2016)

Bronnen:

Foto: Flickr / Nathan Russell